IEPER – ZONNEBEKE

De rode lijn geeft het wandeltraject weer. Klik op de rode markeringen voor toelichting over de locaties.
Alle toelichtingen kunnen ook in de tekst hieronder gelezen worden. Die tekst bevat bovendien illustraties.

Afstand van dit traject:  26,7 km

Menenpoort

De Menenpoort is een herdenkingsmonument, in 1927 gebouwd door de Britten ter nagedachtenis van de ongeveer 54.900 Britse soldaten die in de Eerste Wereldoorlog sneuvelden en niet meer geïdentificeerd of teruggevonden werden. De naam verwijst naar de stad Menen, een stad waar men vanuit Ieper-centrum via de Menenpoort naartoe kan.

Op de Menenpoort staan de namen van 54.896 vermiste soldaten en officieren van het Britse Gemenebest. Omdat de Menenpoort te klein bleek te zijn, werden alle Britse vermisten gesneuveld vanaf 16 augustus 1917 vermeld op het Tyne Cot Memorial. Als scheidingsdatum tussen deze twee groepen werd de nacht van de Slag bij Langemark genomen. Vermisten van Nieuw-Zeeland en Newfoundland staan op aparte memorialen. De stoffelijke overschotten van deze soldaten hebben geen bekend graf en liggen ofwel ergens verloren in de Ieperse velden, ofwel op een oorlogskerkhof rond Ieper met als vermelding op de grafsteen Known Unto God (alleen gekend bij God).

Sinds 1928 (uitgezonderd 1940 tot 1944) wordt hier iedere avond, klokslag acht uur door een groep klaroenblazers van de Stedelijke Brandweer de Last Post gespeeld opdat we niet vergeten hoe zij voor ons streden (Lest we forget …).

Nog steeds worden, tijdens graafwerkzaamheden, in Flanders’ Fields resten van soldaten gevonden. Zodra deze worden geïdentificeerd als die van een vermiste Brit, worden ze tijdens een officiële ceremonie herbegraven, maar wordt de naam niet van de Menenpoort verwijderd. Dit is in tegenstelling tot het Thiepval monument (zie verder onder Somme), waar de naam van de gevonden soldaat met cement wordt opgevuld.

Bron : https://nl.wikipedia.org/wiki/Menenpoort

Siegfried Sassoon en Stefan Zweig over de Menenpoort

Sassoon

Siegfried Sassoon, Engels dichter en prozaschrijver (meer informatie : https://nl.wikipedia.org/wiki/Siegfried_Sassoon), schreef volgend gedicht over de Menenpoort (vertaling Piet Chielens).

On Passing the New Menin Gate.

Wie zal, voorbijgaand door deze Poort, denken aan

de onheroïsche doden die de kanonnen voedden?

Wie zal de Laagheid van hun lot vergeven –

van deze verdoemde, dienstplichtige niet-winnaars?

Ruwweg hernieuwd, behoudt de Salient haar geheim.

Betaald werden haar doffe verdedigers met deze praal

Betaald de legers die dit koppige moeras doorstonden

met een stapel stenen, zelfvoldaan van vrede.

Dit was ’s werelds lelijkste wonde. En hier beweert nu

vol trots de poort: “Hun naam zal eeuwig leven.”

Werd ooit een offer zo belogen

als deze ondraaglijke naamloze namen?

Misschien verrijzen straks de Doden die zwoegden in het slijm,

Om te lachen met dit misdadig schrijn.

Stefan_Zweig

De Oostenrijkse auteur Stefan Zweig (meer informatie : https://nl.wikipedia.org/wiki/Stefan_Zweig) schreef in 1928 over de Menenpoort in het Berliner Tageblatt:

“Ieper werd beroofd van haar meest beroemde kunstwerken. Daarom zal niemand nog, zoals sommigen deden, een pelgrimstocht maken naar deze afgelegen stad om er de schitterende Lakenhallen te bewonderen,die daar stonden met brede schouders, massief en machtig. Maar voor het verloren monument heeft Ieper er een nieuw gekregen, en dat ik het maar onmiddellijk voorspel, één die zowel psychisch als artistiek overweldigend is: de Menenpoort, opgericht door de Engelse natie voor haar doden, een monument zo aangrijpend als er maar één kan zijn op Europese grond. Deze gigantische poort, ruim en van glinsterend marmer (Euvillesteen) werd opgericht over de weg die destijds naar de vijand leidde. Het overschaduwt die weg – de weg van het belegerde Ieper waarover, zowel in de brandende zon als in de regen, de Engelse regimenten voorwaarts trokken in de richting van het front waarlangs kanonnen, ambulances en munitie werden gevoerd en ontelbare lijkkisten werden teruggebracht. Het breed omspannen poortgebouw, Romeins in de eenvoud van zijn massa, stijgt hoog op, eerder als een mausoleum dan als een triomfboog. Aan de voorkant, de vijand bespiedend, ligt op de top een marmeren (stenen) leeuw, zijn klauw zwaar neergeplant als op een prooi die hij niet wil loslaten: op de achterzijde naar de stad toe een sarcofaag, zinderend en streng. Want dit monument is ter ere van de doden, de zesenvijftigduizend Engelse doden bij Ieper wiens graven niet konden worden gevonden, die ergens liggen, samen gegooid in een massagraf, onherkenbaar verminkt door granaten, of gedesintegreerd in het water, voor al degenen die, in tegenstelling tot de anderen, geen blinkend wit gepolijst steentje hebben op één van de begraafplaatsen rondom de stad, als individueel merkteken van hun laatste rustplaats. Voor al deze mannen, de zesenvijftigduizend, is deze boog opgericht als een gemeenschappelijke grafsteen en al die zesenvijftigduizend namen zijn erin gegraveerd in letters van goud – zo veel, zo oneindig veel, dat net als op de muren van het Alhambra het schrift decoratief wordt. Het monument is dus een gedenkteken, niet opgedragen aan de overwinnaars, maar aan de doden – de slachtoffers – zonder enig onderscheid, voor de gevallen Australiërs, Engelsen, hindoes, moslims die allen op dezelfde manier onsterfelijk zijn gemaakt, in dezelfde letters, op dezelfde steen, vanwege dezelfde dood. Hier vind je geen beeltenis van koning, geen vermelding van overwinningen, geen beschouwingen over geniale generaals, geen onzin over aartshertogen en prinsen: alleen de lakonieke, nobele opschriften – Pro rege, Pro Patria.

In zijn oprechte Romeinse eenvoud is dit monument voor de zesenvijftigduizend meer dan enige triomfboog of overwinningsmonument dat ik ooit heb gezien, en zijn indrukwekkendheid wordt nog verhoogd door het zicht van de talrijke kransen die er voortdurend worden gelegd door weduwen, kinderen en vrienden. Want een hele natie maakt ieder jaar een bedevaart naar dit gemeenschappelijk graf van onbegraven soldaten.”

Potijze en Edmund Blunden

Op het gehucht Potijze, nagenoeg de ganse oorlog in Brits gebied, lag een kasteel dat bij de Britten bekend stond als ‘White Château’. In het kasteel was een ‘Advanced Dressing Station’ (medische post) ondergebracht. Tijdens de Tweede Slag om Ieper (voorjaar 1915) waren er eveneens hoofdkwartieren van de 27ste divisie gevestigd. In de zomer van 1918 lag het kasteel op de frontlijn. Ten gevolge van de gevechten en zware beschietingen bleef er maar weinig van over. Rondom het kasteel werden verschillende begraafplaatsen aangelegd.

Bron : Agentschap Onroerend Erfgoed 2016: Potijze Chateau Grounds Cemetery (Ieper – WOI). In Inventaris Onroerend Erfgoed. Opgehaald van https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/95424

Edmund Blunden, tevens officier bij de Britse troepen, schreef over de vernieling van het kasteel en de omgeving in “Undertones of War”.

Blunden

Meer informatie over Edmund Blunden : https://en.wikipedia.org/wiki/Edmund_Blunden

Het boek werd in het Nederlands uitgegeven onder de titel: “Oorlogsgedruis”.

Oorlogsgedruis

Inleiding over de Tweede Slag bij Ieper

In het voorjaar van 1915 probeerden de Duitsers  de vastgelopen frontsituatie d.m.v. een nieuw wapen (chloorgas) te doorbreken om alsnog de kanaalhavens te bereiken. Op 22 april 1915 vond voor het eerst in de geschiedenis een grote gasaanval plaats. Tussen Steenstraat en Langemark dreef chloorgas op de wind vanuit de Duitse lijn over Franse troepen die daartegen niet beschermd waren. De Franse troepen, territoriale Zouaven, werden meteen bevangen door het gas, zodat er een groot gat van 6 km ontstond in het front.

Kaart gasaanval 22 04 1915

Om 18.00 uur was Langemark veroverd en de Duitsers rukten op naar “Kitcheners’ Wood”, het bos ten zuidwesten van Sint-Juliaan, dat bezet werd door de Canadese 1° divisie. Deze improviseerden gasmaskers, met zakdoeken natgemaakt met water of urine tegen het gifgas, en voorkwamen zo op 24 april 1915 een grote Duitse doorbraak. Het was de start van een maandlange bloedige strijd waarin nog vijf gasaanvallen plaatsgrepen en die het geallieerde front tot minder dan 4 km van het stadscentrum bracht. De burgerbevolking werd gedwongen de stad te verlaten.

Bron : https://nl.wikipedia.org/wiki/Tweede_Slag_om_Ieper

Kaart Tweede Slag om Ieper

Het gearceerde deel op de kaart duidt de terreinwinst aan die de Duitsers konden boeken als gevolg van de Tweede Slag om Ieper.

Gedenkzuil voor de 50th Northumbrian Division

De 50th Northumbrian Division werd tijdens de Tweede Slag bij Ieper voor het eerst ingezet, hier op het gehucht ‘Wieltje’. Tijdens gevechten tussen 26 april en 4 mei 1915 zou de divisie 472 doden, 1996 gewonden en 1278 vermisten onder de officieren en manschappen tellen. De dubbele ‘T’ in het embleem van de divisie verwijst naar de rivieren Tyne en Tees. Boven het omgekeerde zwaard is het ‘Paard van Northumbria’ aangebracht in een medaillon.

Bron : Agentschap Onroerend Erfgoed 2016: Gedenkzuil voor de 50th Northumbrian Division. In Inventaris Onroerend Erfgoed. Opgehaald van https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/30759

 3 bunkers “Cambrai Reserve”

Deze drie halfondergrondse Duitse schuilplaatsen bevinden zich in het veld en de weide aan de hoek van de Roeselare- en de Tentestraat. Oorspronkelijk stonden in de nabije omgeving ruim 30 dergelijke constructies. Deze versterkingen werden alle op de eerste dag (31 juli 1917) van de Derde Slag bij Ieper veroverd.

Bron : http://www.digilife.be/teleducatie/vbssj/omd99/BUNKERS/Bunker%203%20%28Cambrai%20Reserve%201%29.htm

Mouse Trap Farm en “Age 14” van Geert Spillebeen

De Britten noemden de boerderij eerst “Shell Trap Farm” (vrij vertaald “Boerderij die obussen aantrekt”). Op bevel van de leiding van het V Corps werd deze “ongeluk brengende” naam veranderd in Mouse Trap Farm (“Muizenvalhoeve”). Sommige eenheden spraken ook van “Canadian Farm” omdat het hoofdkwartier van de 3rd Canadian Brigade er gevestigd was. De Duitsers veroverden de boerderij na de laatste gasaanval tijdens de tweede slag om Ieper op 24 mei 1915.

Mouse Trap Farm

De boerderij diende niet alleen als hoofdkwartier van de 3de Canadese brigade, maar ook als verbandpost. Toen de boerderij in brand werd geschoten, moesten de gewonden geëvacueerd worden. Aangezien de Duitsers voortdurend de enige doorgang door de wal bestookten, moesten de gewonden door het water in veiligheid gebracht worden. Door de gevechten ten westen en noordwesten van Mouse Trap Farm tijdens de Duitse verovering van de boerderij op 24 mei 1915, stierven T. Carthy en John Condon van het Royal Irish Regiment. Carthy was met zijn 47 jaar de oudste militair van zijn eenheid, Condon was met zijn (volgens naoorlogse gegevens) leeftijd van nog net geen 14 jaar de jongste gesneuvelde militair van de wereldoorlog.

Bron : http://www.wo1.be/nl/db-items/mouse-trap-farm

Age 14

Jeugdauteur Geert Spillebeen schreef over John Condon de jeugdroman ‘Age 14’. Het boek is een interpretatie van wat er in werkelijkheid gebeurd zou kunnen zijn. Volgens officiële documenten bood hij zich als 18-jarige bijna één jaar vóór het uitbreken van de eerste wereldoorlog aan voor vrijwillige dienst bij de Britse legerreserve. Na de eerste Duitse gasaanvallen (Langemark-Poelkapelle – vanaf 22 april 1915) kwam Condon met zijn bataljon naar de loopgraven op Hill Top Ridge en in de omgeving van Mouse Trap Farm. Daar sneuvelde hij op 24 mei tijdens of net na de laatste Duitse gasaanval van de Tweede Slag om Ieper. In 1923 werd vlakbij Railway Wood, naast de spoorweg Ieper-Zonnebeke, een stoffelijk overschot ontgraven als ‘Unknown British Soldier’ met nog enkele identificatiestukken waaronder een ‘Piece of Boot’. Aan de hand van dat stuk bottine veronderstelde men dat het de stoffelijke resten waren van “Pte J. Condon  6322  Royal Irish Regiment”.  Die resten werden dan ook zo bijgezet op Poelkapelle British Cemetery. Op de grafsteen staat als leeftijd : Age 14.

Bron : http://www.wo1.be/age14/

Vanuit de Mouse Trap Farm vertrokken de Canadezen voor hun aanval op Kitchener’s Wood.

Locatie van Kitcheners’ Wood

Tijdens de eerste oorlogswinter werd het “Wijngaardbos”, een eikenbos tussen de Wijngaardstraat, Bruine Broekstraat en Peperstraat in Sint-Juliaan, gebruikt om Franse troepen te herbergen en voorraadplaatsen voor o.m. munitie aan te leggen. Er stonden ook veldkeukens, waardoor het bos “Bois des cuisiniers” genoemd werd. Na de eerste gasaanval van 22 april 1915 konden de Duitsers het bos veroveren. In april 1915 namen de Britten de sector over en vertaalden de naam van het bos letterlijk naar “Kitchener’s Wood”. Later meenden zij dat de oorsprong hiervan lag bij Lord Kitchener, Minister van Oorlog. De hele oorlog door zou het bos een versterking blijven, maar van het bos zelf bleef bij de wapenstilstand weinig over.

Bron : Agentschap Onroerend Erfgoed 2016: Gedenksteen Kitchener’s Wood (Langemark – WOI). In Inventaris Onroerend Erfgoed. Opgehaald van https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/94592

Inleiding over de Derde Slag om Ieper (Slag om Passendale )

“…I died in Hell

(they called it Passchendaele) my wound was slight

and I was hobbling back; and then a shell

burst slick upon the duckboards; so I fell

into the bottomless mud, and lost the light”

Siegfried Sassoon

Op 31 juli 1917 begon de Britse veldmaarschalk sir Douglas Haig aan zijn Derde Slag om Ieper om de Duitsers de genadestoot toe te brengen. Het was de bedoeling om langs de kust op te rukken en noordwaarts richting Oostende en Zeebrugge te trekken om de havens, waarvan men vermoedde dat het Duitse onderzeebootbases waren, te heroveren.  De Duitsers waren op de hoogte van de plannen en trokken een grote hoeveelheid artillerie en reserves bij de frontsector samen.

Op 31 juli begon het aanhoudend te regenen. De troepen kwamen nergens vooruit door de modder en op 2 augustus 1917, na een opmars van maximaal twee kilometer, lag het offensief stil. In die eerste fase was er de Slag bij Pilkem (31 juli – 2 aug 1917): de Fransen veroverden Bikschote, de Britten veroverden Pilkem, ’t Hoge (bij Bellewaarde), Hollebeke. Ook St.-Juliaan, ’s Graventafel, Westhoek (gehucht tussen Bellewaarde en Zonnebeke), maar die werden weer prijsgegeven. ’s Avonds zaten ze vast in de modder voor de Steenbeek.

Nog altijd in die eerste fase was er dan van 16 tot 18 aug. 1917 de Slag bij Langemark. De Britten veroverden Fortuinhoek. Ook Keerselare, Nonnebossen en Polygon, maar die werden weer prijsgegeven. Op 22 en 23 augustus raakten Britse tanks – een nieuw “geducht” wapen – tot Keerselare (waar nu het Canadees monument staat), maar ’s anderendaags verzonken ze aan de weg Keerselare – Poelkapelle en ook aan de Meenseweg tot Zandberg, in de modder. Duitse tegenaanvallen dreven de Britten weer gedeeltelijk terug.

Een maand later, na een gevechtspauze tijdens een periode van warm weer die de grond opdroogde, verschoof het offensief op 22 september 1917 weer zuidwaarts en viel het Britse 2e leger van generaal Herbert Plumer aan op de heuvelrug ten oosten van Ieper. Plumer eindigde het offensief op 4 oktober 1917 met de verovering van Broodseinde.

Van 4 oktober tot 9 oktober 1917 was het de beurt aan de Australiërs om bij Tyne Cot aan te vallen. Ze werden echter door het noodweer gehinderd.  Voortdurende slagregens maakten het terrein volledig onbegaanbaar. Generaals aan beide zijden beschreven het terrein als een hel op aarde. De offensieven werden echter niet afgelast. De helft van het terrein bestond nu uit modder waar men slechts kon lopen door er plankieren aan te leggen; de andere helft was water waarin duizenden halfvergane lijken ronddreven. Gewonden waren reddeloos verloren en zakten in het slijk weg.

Het was dan ook niet verwonderlijk dat de Australiërs geen noemenswaardige vooruitgang boekten. Veldmaarschalk Haig bleef vastbesloten om bij Ieper vóór de winter tot een doorbraak te komen. Op 12 oktober 1917 viel hij Passendale aan, maar zonder succes.

Op 6 november 1917 leek er aan de Derde Slag om Ieper een eind te komen doordat Passendale, op dat moment niet meer dan een rode vlek in de modder, viel. De volgende dag bezocht voor het eerst een stafofficier, luitenant-generaal Launcelot Kiggell, in een auto het front. Hij barstte in tranen uit en mompelde: Good God, did we really send men to fight in that? (Goede God, hebben wij mannen hier naartoe gestuurd om hierin te vechten?) Het antwoord was: ‘It’s worse further up on…’ (Verderop is het erger…).

Resultaat

De totale Britse verliezen aan het Westelijk Front tussen 31 juli en 1 december bedroegen 448.614 man aan doden, gewonden, zieken, deserteurs, vermisten en krijgsgevangenen, waaronder 244.897 aan de frontsector van het offensief, zieken en deserteurs niet meegerekend. In aanmerking nemend dat zelfs bij een puur verdedigende opstelling ook zo’n 50.000 man door artillerievuur uitgeschakeld zouden zijn, moet men de extra verliezen door het offensief op een kleine 200.000 man stellen, een derde daarvan gesneuveld. De totale Duitse verliezen in Vlaanderen gedurende dezelfde periode bedroegen 270.710 man. Bij de Fransen vielen ongeveer 8500 doden, de overige verliezen zijn niet bekend. De totale verliezen door dit offensief aan beide zijden bij elkaar optellend komen we aan ruwweg 450.000 man. Dit is een overweldigend aantal slachtoffers in verhouding tot de slechts acht kilometer die het front verschoven is, maar helaas geen uitzondering in deze oorlog.

Sir Douglas Haig kreeg de schuld omdat hij niet de gewenste doorbraak kon forceren. Hij dacht dat de Duitse troepen op instorten stonden en wilde daarom niet opgeven. Hij bleef echter aan als Brits opperbevelhebber in Frankrijk.

De slag geldt tegenwoordig, meer nog dan de Slag om de Somme, als hét voorbeeld van een zinloze aanval.

Bewerkt uit : https://nl.wikipedia.org/wiki/Derde_Slag_om_Ieper

Kaart Derde Slag om Ieper

De terreinwinst als resultaat van de Derde Slag om Ieper.

 Slag om Pilckem Ridge 21 juli – 2 augustus 1917

De Slag om Pilckem Ridge situeert zich bij het begin van de Derde Slag bij Ieper. Pilckem Ridge, ten oosten van de Moortelweg, is een zuidwest-noordoost lopende uitloper van de midden West-Vlaamse heuvelrug.  De geallieerden moesten deze heuvelrug tijdens de eerste dagen van hun offensief in 1917 bedwingen.

Begraafplaatsen in het niemandsland rond de Moortelweg

Het niemandsland is nu goed zichtbaar door de herdenkingsbomen.  In de omgeving van de Moortelweg bevinden zich in dit niemandsland vier bijzondere begraafplaatsen: Welsh, Buffs Road, Track X en No Man’s Cot cemetery.  Deze begraafplaatsen ontstonden eind juli 1917 als gevolg van de Slag om Pilckem Ridge.

Ze werden daar ingeplant omdat het niemandsland de enige zone was die relatief minder geschonden uit de zware artilleriebeschietingen van de derde slag (juli 1917) was gekomen. De vier vormen een representatief geheel van kleine, intimistische begraafplaatsen, waarmee de frontzone kort na de Eerste Wereldoorlog bezaaid lag. Vandaag maken zij nog altijd de ligging van het toenmalige niemandsland visueel herkenbaar.

De Commonwealth begraafplaatsen zijn nog altijd dragers van de oorlogstoponiemen die de Britten aan het Ieperse front bedachten. Terwijl zij op de oudste loopgravenkaarten van 1915 de toponiemen van de vooroorlogse Belgische topografische kaarten overnamen, voegden zij er in de daaropvolgende jaren talloze Engelse benamingen aan toe. De begraafplaatsen namen die toponiemen over. ‘Track X Cemetery’ is genoemd naar het pad dat hier door het niemandsland werd getrokken tijdens de derde slag om naar het front te trekken. Omdat ‘Hoge Ziekenweg’ voor Engelstalige waarschijnlijk moeilijk uit te spreken was, doopten ze die weg tot ‘Buffs road’ om. De nabij gelegen begraafplaats kreeg diezelfde naam. ‘No Man’s Cot Cemetery’ is genoemd naar een oostwaarts gelegen huisje in het niemandsland. In het ‘Welsh Cemetery’ begroef de 38ste Welsh Division haar doden tijdens de derde slag.

Bron : Agentschap Onroerend Erfgoed 2016: Slagveld Pilkem Ridge. In Inventaris Onroerend Erfgoed. Opgehaald van https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/301113

Buffs Road Cemetery

Track X Cemetery

No Man’s Cot Cemetery

Welsh Cemetery Caesar’s Nose

Moortelweg =Admiral’s Road

De Moortelweg was in ‘Admiral’s Road’ omgedoopt, naar een kapitein die in 1915 met een gepantserde auto de weg op en af reed om zijn manschappen aan te sporen. Tot juni 1917 lag de Moortelweg in het niemandsland, tussen de Duitse en Britse stellingen. De verovering van dit gebied, op 31 juli 1917, gebeurde door de ’39th Division’ en ’48th (South Midland) Division. Dat was bij het begin van de Derde Slag om Ieper.

Klein Zwaanhof

Deze voormalige hoeve werd ingericht als informatiepunt. De hoeve lag ongeveer midden het noordelijke deel van de frontboog. Vanaf 22 april 1915 was de noordelijke Ieperboog een van de felst bevochten slagvelden tijdens de Tweede Slag bij Ieper. Klein Zwaanhof ligt ook op de rand van het industriegebied en vormt letterlijk de scheiding tussen de industriezone en het open landbouwgebied, waar vele oorlogsrelicten in de bodem bewaard bleven. Bovendien is dit een omgeving waar uitzonderlijk veel literaire figuren uit WO1 langskwamen.

In en om dit informatiepunt komen drie thema’s aan bod:
–  De vorming en de evolutie van de frontlijnen : een film toont de oorlogsgebeurtenissen via historisch beeldmateriaal, het ontstaan van de frontlijnen in het gebied en aandacht voor de nog aanwezige relicten, monumenten en begraafplaatsen.

– De archeologie van de oorlog. Tijdens het ontwikkelen van de bedrijventerreinen werden meer dan 200 lichamen van gesneuvelde soldaten geborgen en duizenden archeologische vondsten gedaan.

– Schrijvers van de Salient:  Ernst Jünger (D), Francis Ledwidge (IRE), Edmund Blunden (GB), John McCrae (Can), Robert d’Humières (F), Hed Wynn en David Jones (Wales) krijgen hun plek in dit frontgebied.

Bron : http://www.inflandersfields.be/nl/buitensites/klein-zwaanhof

Yorkshire Trench & Dugout

De aanleg van deze site, meer bepaald de restauratie van de Yorkshire Trench en de toegangen van de dug-out, werd voor een groot deel gerealiseerd door de Diggers, een groep amateur-archeologen.

Yorkshire Trench was een loopgraaf uit de eerste Britse linie die ontstond in 1915 na de gevechten die volgden op de eerste gasaanval (22 april 1915). Vanaf einde 1916 en in het voorjaar van 1917 werd de loopgraaf volledig gemoderniseerd en werd ernaast ook een diepe ondergrondse schuilplaats gebouwd (in het Engels: deep dug-out).

Bij toeval ontdekt in 1992 werd de dug-out en daarna het hele nieuwe industriegebied systematisch onderzocht door het archeologische team van de Diggers. Zo werden ondermeer 155 soldatenlichamen geborgen en een laatste rustplaats gegeven op een van de Britse, Franse of Duitse begraafplaatsen.

Een deep dug-out is een ondergrondse constructie die meestal verblijf verschafte aan brigade- of bataljonshoofdkwartieren. Het Britse opperbevel had beslist om alle militaire operaties in de frontlijn van het grote offensief van 1917 te laten plaatshebben vanuit diepe dug-outs. Deze dug-outs werden in de Salient vanaf 1916 aangelegd door de Tunnelling Companies (Royal Engineers). Ze waren toegankelijk via twee of meer trappen, soms via een verticale schacht. Beneden bevonden zich een of meer galerijen, met aan weerszijden kleinere ruimtes. De zware kleibodem, zeker in de noordelijke Salient, maakte het graven van deze dug-outs, vaak op amper een paar honderd meter van de vijandelijke linies, een zware en gevaarlijke onderneming. Ook het verblijf erin was niet echt comfortabel, al was het maar door de voortdurende strijd tegen het grondwater.

De site is permanent en gratis toegankelijk.

Bron : Agentschap Onroerend Erfgoed 2016: Yorkshire Trench & Dugout (Boezinge – WOI). In Inventaris Onroerend Erfgoed.  https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/94755

Le Carrefour des Roses

Op de hoek van de Poezelstraat en de Langemarkseweg staat het monument dat de eerste slachtoffers van de Duitse gasaanvallen tijdens de Tweede Slag om Ieper op 22 april 1915 herdenkt. De soldaten die hier begraven liggen behoorden tot oudere Franse lichtingen die gestuurd werden als versterkingen: ‘Les Pépères’. Ze waren in de omgeving van Boezinge ingezet omdat ze ‘slechts’ bedoeld waren als versterking voor het Belgische leger aan de IJzer. Het zouden echter vooral deze ‘oudjes’ zijn die, tesamen met de manschappen van de 45ste Algerijnse divisie, massaal het slachtoffer zouden worden van de eerste Duitse gasaanval (22 april 1915). Op 9 mei 1922 organiseerden ‘Les Pépères’ voor het eerst een bedevaart naar het slagveld van Boezinge. Tegelijk werd de verbroedering ‘Les Pépères de Boesinghe’ gesticht, die een gedenkplaat liet vervaardigen, die tijdens deze eerste bedevaart in de noodkerk van Boezinge werd ingewijd. Hieruit vloeide het idee voort om een monument op te richten voor de Bretoense slachtoffers van de gasaanval. Als locatie werd herberg ‘Het Verzet’ uitgekozen, het centrum van de Bretoense sector in 1915, maar ook de plaats waar ze na de gasaanval eventjes tot adem konden komen. Dit kruispunt werd ‘Carrefour des Roses’ genoemd. In 1927 werd een 16de eeuwse Bretoense ‘Calvaire’ (pardon-kruis) uit Louargat (Côte d’Armor) overgebracht naar Boezinge. Een landbouwer uit Ville-Bellanger (Hénansal), Jean-Baptiste Lebret, die de gasaanval overleefd had, schonk de dolmen en de menhirs. Een Bretoens landschap werd geschapen met dennen, brem en heidekruid, en met een appelboom uit Normandië.

Bronnen : https://nl.wikipedia.org/wiki/Oorlogsgraven_in_de_Westhoek#Le_Carrefour_des_Roses

en Agentschap Onroerend Erfgoed 2016: Carrefour des Roses (Boezinge – WOI). In Inventaris Onroerend Erfgoed.  https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/94641

Francis Ledwidge

Hier sneuvelde de Ierse nationalist en dichter Francis Ledwidge.  Op 31 juli 1917 was Ledwidge ingedeeld bij een working party die direct achter de frontlijn bij Boezinge de wegen moest herstellen zodat snel versterkingen konden worden aangevoerd.  Het was zijn taak de spoorwegbedding weer begaanbaar te maken. ’s Middags viel de regen met bakken uit de hemel.  Tegen vieren stond hij met zijn makkers op de kruising van de spoorwegberm (nu fiets- en wandelpad) en de Poezelstraat.  Verkleumd dronken ze thee toen een verdwaalde Duitse granaat hen de lucht in blies.  De stratenmaker die dichter wilde worden maar soldaat in het verkeerde leger werd, sneuvelde als stratenmaker.

Bron : Koen Koch, De Derde Slag bij Ieper : 1917, Antwerpen, 2007, p. 146

Francis_Ledwidge

Francis Ledwidge had het in zijn dichtkunst over de natuur en het Ierse landschap. Hij  werd geboren in een arm gezin en werkte als boerenknecht, mijnwerker en als stratenmaker. Alhoewel aangetrokken tot het Ierse zelfbewustzijn verkoos hij toch om dienst te nemen in het Engelse leger.

Op de plaats van zijn overlijden kwam er in 1998 een monument. Onderaan staat het gedicht van hem, Soliloquy, dat hij kort voor zijn dood schreef. Daarbij staat de vertaling Alleen door Benno Barnard.

Nu ligt Ledwidge begraven op het iets verderop gelegen Artillery Wood Cemetery.
Bron :

https://nl.wikipedia.org/wiki/Francis_Ledwidge

Soliloquy

When I was young I had a care
Lest I should cheat me of my share
Of that which makes it sweet to strive
For life, and dying still survive,
A name in sunshine written higher
Than lark or poet dare aspire.

But I grew weary doing well.
Besides, ‘twas sweeter in that hell,
Down with the loud banditti people
Who robbed the orchards, climbed the steeple
For jackdaws’ eyes and made the cock
Crow ere ‘twas daylight on the clock.
I was so very bad the neighbours
Spoke of me at their daily labours.

And now I’m drinking wine in France,
The helpless child of circumstance.
To-morrow will be loud with war,
How will I be accounted for?

It is too late now to retrieve
A fallen dream, too late to grieve
A name unmade, but not too late
To thank the gods for what is great;
A keen-edged sword, a soldier’s heart,
Is greater than a poet’s art.
And greater than a poet’s fame
A little grave that has no name.

Francis Ledwidge, Last Songs, London, 1918 p 41-2

Dobschütz Wald en Ernst Jünger

(niet op de route, wel zichtbaar)

In het zogenaamde Dobschütz Wald, een bos dat nu niet meer bestaat,  was de schrijver Ernst Jûnger betrokken bij een aanval.

Ernst_Jünger

Ernst Jünger diende met volle overtuiging als soldaat in de Eerste Wereldoorlog, toen hij negentien jaar was; hij was een aanhanger van Nietzsche, in die zin dat de ervaring voor hem belangrijker was dan de rationele beschouwing van de wereld. Volgens Jünger moest men, teneinde te kunnen leven, gevaarlijk leven. Das abenteuerliche Herz drukt deze gedachtegang uit; wie sterk wil zijn, moet risico’s nemen en offers durven brengen. De actie, opwinding en glorie van de oorlog vormden in Jüngers ogen de weg naar een verheffing van het individu, met een uiteindelijke verheffing van het volk tot gevolg. Zijn ervaringen uit de Eerste Wereldoorlog publiceerde hij onder de titel In Stahlgewittern (Nl. vertaling Oorlogsroes): het is een verheerlijking van heroïsche dadendrang.

Bron : https://nl.wikipedia.org/wiki/Ernst_J%C3%BCnger

In de aanloop naar de Derde Slag om Ieper, ook bekend als Slag om Passendale, konden de Britten eind juli 1917 oprukken tot een lijn waar nu de Poezelstraat loopt (de straat waarop Carrefour des Roses en Artillery Wood Cemetery ligt).

Er werd door de Britten een Duits radiobericht onderschept waarin een tegenaanval werd bevolen; tijd en plaats werden nauwkeurig omschreven.  Ernst Jünger behoorde tot het bataljon dat deze tegenaanval moest uitvoeren.  Jünger schreef “’s Avonds zwol het aanhoudende vuur aan tot een ware razernij.  Voor ons stegen onophoudelijk bontgekleurde lichtkogels op.  Met stof overdekte koeriers brachten de boodschap dat de vijand aanviel.  Na wekenlange vuurgevechten begon nu de strijd van de infanterie.  We waren dus precies op tijd gekomen” (Ernst Jünger, Oorlogsroes, 2002, Amsterdam, p. 188).  De volgende dag kreeg Jünger het bericht dat zijn bataljon ’s avonds om 10.50 uur in de tegenaanval zou gaan, zoals zijn tegenstanders ook al wisten.

Dobschütz Wald

Dobschütz Wald: links voor de Britse bombardementen van juli 1917, rechts daarna.  Vanuit dit bos moest het bataljon van Jünger aanvallen.  Bron : In Flanders Fields Museum.

De aanval mislukte en de Duitsers moesten terug naar de Tauenzienljn, die door het bos van Dobschütz liep. Ter versterking moest Jünger op 29 juli met de 8ste compagnie oprukken, wüaarvan de commandant gewond was geraakt.  Jünger moest daartoe dwars door een Britse artilleriebarrage trekken, onverschrokken als altijd zoals de regimentsgeschiedenis schreef. “Ik gaf dus bevel mij te volgen en rende het vuur in.  Al na een paar stappen werd ik door een granaat onder aarde bedolven en in de dichtstbijzijnde krater teruggeworpen.  Het is bijna onbegrijpelijk dat ik niet geraakt werd, want de regen van projectielen was zo dicht dat ze mijn helm en schouders leken te raken; als grote dieren woelden ze de grond onder mijn voeten los” (Ernst Jünger, Oorlogsroes, 2002, Amsterdam, p. 191). Jünger bereikte het bos en vond een schuilplaats in een half kapotgeschoten bunker.  De hele dag en nacht zouden zijn manschappen en hij zwaar beschoten worden, hun positie was vrijwel door de Engelsen omsingeld.  Hij kreeg bericht dat zijn broer Fritz in een schuilplaats ergens vlakbij zwaargewond lag. “We knoopten hem in een lap tentdoek en staken daar een lange stok doorheen.  Vervolgens namen twee man hem op de schouders (…).  Mijn blik volgde de heen en weer slingerende last die door een woud van torenhoge granaatzuilen kronkelde.  Bij elke inslag kromp ik ineen, totdat de stoet in de nevelen van de strijd was verdwenen.  Ik voelde me zowel de plaatsvervanger van mijn moeder als tegenover haar verantwoordelijk voor het lot van mijn broer”. (Ernst Jünger, Oorlogsroes, 2002, Amsterdam, p. 193). In de ochtend van 30 juli werd Jünger uit het bos van Dobschütz gehaald.

Bron : Koen Koch, De Derde Slag bij Ieper : 1917, Antwerpen, 2007, p. 137-140

Gedenkplaat voor de dichter Hedd Wyn en Welsh National Memorial Park

Ellis Humphrey Evans werd geboren in 1887 in een grotendeels Welshtalig dorp in Noord-Wales. Vanaf 1906 nam hij deel aan de traditionele poëziewedstrijden. In 1910 kreeg hij het pseudoniem ‘Hedd Wyn’ (‘Lichtende Vrede’). Zijn geliefde thema’s waren romantisch, zoals de natuur en godsdienst. In 1915 nam hij voor het eerst deel aan de nationale poëziewedstrijd.

Hedd Wyn
Inmiddels was het oorlog en Welshmen meldden zich massaal als vrijwilligers. Hedd Wyn droeg zijn gedichten vaak op aan zijn lijdende dorpsgenoten. Vanaf oktober 1916 werkte hij aan zijn inzending voor de nationale poëziewedstrijd van 6 september 1917 met als opgelegd thema ‘de held’. In februari 1917 gaf hij zelf gevolg aan het oproepingsbevel. Op 31 juli 1917 veroverde het 15de bataljon ‘Royal Welsh Fusiliers’ de Pilkem Ridge en rukte vervolgens op naar ‘Iron Cross’ (‘Hagebos’). Private Evans werd geraakt, overleed op 30-jarige leeftijd, waarschijnlijk in een eerste hulppost nabij ‘Iron Cross’. Hij werd begraven op Artillery Wood Cemetery te Boezinge, waar hij nog steeds ligt. Hedd Wyn won posthuum de nationale poëziewedstrijd, kreeg de ‘Zetel’ als prijs en werd een nationale legende: hij kreeg een standbeeld, zijn geboortehuis en zijn woonplaats kregen gedenkplaten en werden bedevaartsoorden. In Langemark, aan het kruispunt Hagebos, werd naar aanleiding van de 75ste verjaardag van zijn dood deze gedenkplaat onthuld, nl. op 31 juli 1992.

Bron : Agentschap Onroerend Erfgoed 2016: Gedenkplaat Hedd Wyn (Langemark – WOI). In Inventaris Onroerend Erfgoed.  https://id.erfgoed.net/erfgoedobjecten/94683

Verderop langs de grote weg naar Boezinge bevindt zich The Welsh National Memorial Park.  Het project is een initiatief van de werkgroep Welsh Memorial in Flanders-Campaign in samenwerking met de Welshe regering en het gemeentebestuur van Langemark-Poelkapelle. Honderd jaar na het begin van de Eerste Wereldoorlog is Wales daarmee de laatste regio die een nationaal monument op het voormalige slagveld krijgt. Het monument bestaat uit een Welshe draak op een dolmen van rotsblokken uit een steengroeve in Wales. In de omgeving lieten heel wat soldaten uit Wales het leven.

Deutscher Soldatenfriedhof Langemark

Een militaire begraafplaats van meer dan 44.000 Duitse en 2 Britse gesneuvelden.

De begraafplaats wordt ook het Studentenfriedhof genoemd. Op 21 oktober 1914 werden het Duitse 26e en 27e Reservekorps ingezet om de Britse en Franse troepen in Langemark aan te vallen, om zo een doorbraak naar Ieper te forceren. De Duitse troepen waren echter onervaren en werden massaal afgeslacht door de Britten en Fransen, die op dat moment veel meer ervaring hadden. In november verspreidde de Duitse legerleiding het bericht dat de jonge regimenten ten westen van Langemark de eerste vijandelijke linie hadden doorbroken, terwijl ze “Deutschland, Deutschland über alles” zongen. Deze bewering klopte dus niet, er werden geen vijandelijke posten overwonnen en men verzweeg dat de Flandernschlacht was vastgelopen in de modder van de IJzer, maar het positieve bericht werd gretig overgenomen door de Duitse kranten en een mythe was ontstaan. De jonge regimenten bestonden volgens de mythe hoofdzakelijk uit studenten (in werkelijkheid was slechts één op de drie student), wat aanleiding gaf tot de naam Studentenfriedhof. De naam Langemark werd een begrip tijdens het interbellum: tot op de dag van vandaag zijn er nog altijd Duitse steden met een Langemarckstrasse. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bezocht Adolf Hitler de begraafplaats om de toenmalige helden te eren.

Langemarck

Het Vlaams Legioen werd in 1943 omgevormd tot de 6. SS-Freiwilligen-Sturmbrigade Langemarck, later de 27. SS-Freiwilligen-Grenadier-Division Langemarck.

De begraafplaats werd heringericht door architect Robert Tischler en werd beschermd als monument. Het is één van de drukst bezochte sites in de Westhoek. Ze heeft een zwaar rechthoekig toegangsgebouw. Daarachter ligt het Alter Friedhof, het oudste laagste deel van de begraafplaats, waar meer dan 10.100 gesneuvelden liggen, waarvan er ruim 6.300 geïdentificeerd konden worden. Centraal ligt daarin het kameradengraf, waarin bijna 25.000 niet geïdentificeerde soldaten werden begraven. Daarrond staan blokken met de namen van bijna 17.000 soldaten van wie men zeker is dat ze in het massagraf liggen. Het noordelijk deel van de begraafplaats, het Einbettungsfriedhof Nord, is iets hoger gelegen en telt nog eens ruim 9.000 geïdentificeerde soldaten. Achteraan staat een beeldengroep van Emil Krieger, die vier treurende soldaten voorstelt.

In de jaren 50 werden de begraafplaatsen die verspreid lagen over Vlaanderen teruggebracht tot vier. De stoffelijke resten naar de verzamelbegraafplaatsen van Hooglede, Langemark, Menen en Vladslo. De open ruimte bij het poortgebouw in Langemark werd vergroot en hier werd een massagraf aangelegd waar 25.000 niet geïdentificeerde soldaten werden bijgezet.

Bron : https://nl.wikipedia.org/wiki/Deutscher_Soldatenfriedhof_Langemark

Canadees memoriaal St.-Juliaan: The Brooding Soldier

The Brooding Soldier, in de volksmond ook bekend als “Den Canadien”, is opgedragen aan de meer dan 2000 Canadese militairen die het leven lieten bij de eerste gasaanval tijdens de Tweede Slag om Ieper in de Eerste Wereldoorlog.

Het monument is een 10 meter hoog granieten beeld van een Canadese soldaat, rustend op zijn geweer. Deze houding, “arms reversed”, is de traditionele militaire groet aan de gesneuvelden.

Bron : https://nl.wikipedia.org/wiki/Sint-Juliaan

Poelkapelle en Louis-Ferdinand Céline

Net voorbij het huis met de serres, kan men in het  noordoosten, de kerk van Poelkapelle onderscheiden.  Het is in die omgeving dat Louis-Ferdinand Céline, die zich in 1912 bij het leger als vrijwilliger had aangemeld, zijn vuurdoop onderging in oktober 1914. Hij raakt hierbij ernstig gewond aan zijn rechterarm en ondanks enkele operaties blijft hij de rest van zijn leven voor zeventig procent invalide.

Céline

In 1932 publiceert hij zijn eerste roman: Voyage au bout de la nuit (Reis naar het einde van de nacht). De roman is meteen een succes en Céline ontvangt de Prix Renaudot, nadat hij de minstens even prestigieuze Prix Goncourt misloopt. De roman romantiseert Célines wederwaardigheden vanaf het begin van de Eerste Wereldoorlog tot aan het moment van publicatie.

Zijn oorlogservaringen spelen een doorslaggevende rol bij de totstandkoming van zijn latere pacifisme en nihilistisch pessimisme. Hij is na Marcel Proust de meest vertaalde Franse auteur uit de twintigste eeuw. Van beroep was hij arts. Céline is controversieel, omdat hij tussen 1937 en 1941 enkele rabiaat antisemitische werken publiceerde, die tijdens de Tweede Wereldoorlog en in oktober 2008 werden herdrukt.

Bron : https://nl.wikipedia.org/wiki/Louis-Ferdinand_C%C3%A9line

Steenakkermolen en Erich Maria Remarque

Tijdens de Eerste slag om Ieper in 1914 vielen hier zeer veel Duitse slachtoffers.  De ongetrainde Duitse infanterie trok er op in een veel te compacte formatie. Ze werden door de Schotse beroepssoldaten van het BEF, de Schotse Riflemen, uiteengeslagen. Om die reden noemden de Duitsers de molen de  Totenmühle.

“Near the Totenmûhle served Erich Maria Remarque” schrijven Major & Mrs HoltÍ in hun  Battlefield Guide to Ypres Salient and Passchendaele (Pen & Sword Books, 2011).  De schrijver raakte er gewond bij het begin van de Derde Slag om Ieper in 1917.

Hij is de auteur van het bekende boek Van het westelijk front geen nieuws (originele Duitse titel: Im Westen nichts Neues). Het werd voor het eerst gepubliceerd in januari 1929.

Demonstrationsverbot in Berlin! Infolge der Ruhestörungen durch die Aufführung des Remarque-Films "Im Westen nichts Neues" ist ein Demonstrationsverbot für Berlin erlassen worden. Die Polizei sicherte die Strassen und Plätze im Berliner Westen mit Wasserwerfern und grossem Polizeiaufgebot. Der durch das Buch "Im Westen nichts Neues" bekannte Schriftsteller Erich Maria Remarque, dessen Film in Berlin zu grossen Unruhen führte, während einer Erholung in Davos/Schweiz.

Het boek is meer dan 2,5 miljoen keer verkocht in vijfentwintig talen in de eerste achttien maanden na publicatie. De Nazi’s verboden het boek in Duitsland. De boeken van Remarque werden in 1933 in het openbaar verbrand. Remarque werd in 1938 het Duitse staatsburgerschap ontnomen.

All quiet on the Western front

In 1930 werd een Amerikaanse film van het boek gemaakt, All Quiet on the Western Front. De regisseur was Lewis Milestone. Het was de eerste niet-stomme film die geen musical was en een Oscar voor Beste Film won. In 1979 werd voor de televisie een remake van de film gemaakt.

Bron :  https://nl.wikipedia.org/wiki/Van_het_westelijk_front_geen_nieuws

Tyne Cot Cemetery

Op deze Britse militaire begraafplaats liggen meer gesneuvelden begraven dan op elke andere Britse militaire begraafplaatsen op het Europese vasteland. Er liggen 11.957 doden begraven, waarvan 8369 niet meer geïdentificeerd konden worden.

De naam Tyne Cot(tage) werd door de 50th Northumbrian Division aan een schuurtje gegeven dat te midden van een vijftal Duitse betonnen bunkers stond, langs de weg van Broodseinde naar Passendale. Hiermee verwezen ze naar de huisjes (cottages) langs de Tyne, een rivier in Noord Engeland die door Northumberland loopt. De grootste bunker op het terrein werd na de verovering op 4 oktober 1917 door de 3rd Australian Division ingericht als Advanced Dressing Station (medische verbandpost). Tot eind maart 1918 werden hier ook de gesneuvelden begraven. Dit was de start van de begraafplaats.

Tyne Cot ontvangt jaarlijks ongeveer 200.000 bezoekers. Om dit in goede banen te leiden werd in 2006 achter de begraafplaats een bezoekerscentrum ingericht.

Bron :  https://nl.wikipedia.org/wiki/Tyne_Cot_Cemetery

GR 128 volgen

De GR 128 volgen tot Zonnebeke.

The Road to Passchendaele, voormalige spoorweg

Tijdens de Derde Slag om Ieper trok de 3de en 2de Australische divisie langsheen deze spoorwegbedding richting de beruchte Duitse Flandern I Stellung, waarvan er o.m. nog bunkers in de omgeving van de spoorzate en op Tyne Cot Cemetery bewaard gebleven zijn. Meer informatie op : http://www.forumeerstewereldoorlog.nl/wiki/index.php/The_Road_to_Passchendaele

Memorial Museum Passchendaele 1917

Het museum is gevestigd in het kasteelpark van Zonnebeke en werd geopend in 2004. Het focust op de materiële aspecten van Wereldoorlog I. Naast de informatieve museumzalen zijn er nagebouwde dug-outs, een museumtuin met gereconstrueerde loopgraven en een thematisch park.

De eerste verdieping toont een overzicht van de Eerste Wereldoorlog in de streek. Het tweede deel is een Britse dug-out die opnieuw werd ingericht. De dug-out toont een communicatiepost, een verbandpost, een pompkamer, het hoofdkwartier en slaapplaatsen. In het derde deel focust een ondergronds gebouw op de Slag om Passchendaele en wordt er stilgestaan bij de internationale oorlog en de bijdrage van verschillende naties tijdens de slag. Er is een maquette van het oorlogslandschap. Het vierde deel is de Trench Experience met Duitse en Britse loopgraven en originele schuilplaatsen. Het laatste deel is de herinneringsgalerij.

Bron : https://nl.wikipedia.org/wiki/Memorial_Museum_Passchendaele_1917

Meer informatie over het museum : http://www.passchendaele.be/

Zonnebeke overnachtingsmogelijkheden

Zie : http://www.toerismezonnebeke.be/

Advertenties