SOMME

Dit deel omvat volgende dagtrajecten :

Arras – Mailly-Mallet : 32,8 km

Mailly-Mallet – Albert : 26,1 km

Albert – Les Sars : 26,7 km

Les Sars – Peronne : 27,9 km

Peronne – Chaulnes : 27,6 km

INLEIDING OVER DE SLAG BIJ DE SOMME

“Je moet weten dat ik voel dat elke stap in mijn plan genomen is met goddelijke hulp”
Sir Douglas Haig tot Lady Haig voor de slag aan de Somme geciteerd in Major & Mrs Holts Concise Battlefield Guide to the Western Front – South,   p. 80

“Dit is wat sterven voor het vaderland wordt genoemd, maar het komt erop neer dat je je ziel voor een stuiver aan een paar profiteurs verkoopt, en afgeslacht wordt om hun zelfzuchtige belangen te dienen. En dat noemen zij oorlog – zogenaamd een gerechtvaardigde zaak.”
Diary of Private Arthur Wrench, geciteerd in Peter Hart,The Somme: The Darkest Hour on the Western Front, New York, 2005, p 521

Na de eerste snelle opmars van het Duitse leger in augustus en september 1914 was de strijd tegen de winter vastgelopen in een loopgraven- of stellingenoorlog. Om een uitweg te forceren uit deze patstelling probeerden de gezamenlijke Franse en Britse legers een doorbraak te forceren. Als plaats van handeling werd gekozen voor de glooiende hoogvlakte ten noorden van de rivier de Somme vlak bij de plaatsen Albert en Péronne, goed 100 km ten noorden van de buitenwijken van Parijs.

Al voordat de geallieerde leiding eind 1915 had besloten tot deze actie was in het Verenigd Koninkrijk een organisatie op poten gezet waarbij een geheel nieuw leger van vrijwilligers werd opgebouwd. De opbouw van dit leger was al eind 1914 in gang gezet door minister van oorlog veldmaarschalk Kitchener. Het werd dan ook Kitchener’s army (Kitcheners leger) genoemd of ook wel aangeduid als The New Armies.

De Duitsers probeerden ondertussen uit alle macht een doorbraak te forceren door bij Verdun het Franse leger te laten doodbloeden. De Franse legers leden hier zware verliezen en stonden op het punt te worden verslagen. (Zie Slag om Verdun.) De Franse legerleiding hoopte dan ook dat de langverwachte Britse tegenaanval het Franse leger wat ademruimte zou geven. De Britten wilden meer tijd tot voorbereiding hebben en vroegen de Fransen om uitstel maar deze stonden er op dat de afgesproken datum bleef gehandhaafd, ondanks het feit dat hun eigen bijdrage nog slechts gering kon zijn. De Britse aanval kreeg dus het karakter van een ontlastend offensief om te voorkomen dat het Franse leger in elkaar zou storten.

Op 25 juni 1916 begon een vrijwel onafgebroken bombardement op de Duitse linies door 1437 kanonnen, howitzers en mortieren. In totaal werden meer dan 1.500.000 granaten afgeschoten. Op 1 juli 1916, om exact 07.30 uur, werd het sein gegeven voor de aanval. Enige minuten daarvoor werden ondertunnelde Duitse posities met mijnen van 23 ton opgeblazen. Deze tunnels waren in de maanden voorafgaand hieraan onder moeilijke omstandigheden uitgegraven door speciaal daarvoor opgerichte eenheden.

Over een breedte van dertig kilometer klommen 140.000 geallieerde soldaten uit hun loopgraven en liepen in de richting van de Duitse loopgraven. Veertien divisies van het Vierde Leger onder generaal Henry Rawlinson en twee van het Derde leger bevonden zich tegenover drie Duitse divisies. Aan de rechterflank nam een Frans korps deel aan de aanval. De Duitsers hadden drie grote loopgraafsystemen achter elkaar aangelegd. Het doel was de eerste dag het eerste systeem te nemen.

Het lange bombardement – een idee van Rawlinson waar Douglas Haig bezwaren tegen had – was bedoeld om de Duitse loopgraven te vernietigen en prikkeldraad in het tussenliggende niemandsland te vernielen. Het bleek echter om vele redenen een grote vergissing:

  • De Duitsers hadden zich beter en dieper ingegraven dan verwacht – de Britten hadden slechts 34 zware howitzers die in staat waren de harde kalkgrond te doorboren;
  • Een belangrijk deel van de granaten was gericht op de tweede Duitse loopgraaf;
  • Veel granaten waren blindgangers;
  • Het lukte niet de Duitse artillerie uit te schakelen;
  • Het Britse bombardement stopte enkele minuten voor aanvang van de aanval. Men hoopte dat de Duitsers nog een tijd in dekking zouden blijven, maar dat bleek onjuist: ze betrokken onmiddellijk hun stellingen;
  • Verschillende mijnen explodeerden te vroeg – zodat de Duitsers gewaarschuwd werden – of te laat zodat de eigen troepen bedolven werden;
  • De aanval vond niet tijdens de ochtendschemering plaats maar in vol daglicht;
  • Het prikkeldraad was – ondanks het feit dat ongeveer de halve munitievoorraad besteed was aan het vernietigen ervan – nagenoeg ongeschonden zodat dit de soldaten ernstig hinderde;
  • Door de bombardementen was het gebied extra moeilijk begaanbaar;
  • De soldaten droegen zo’n 30 kilo aan wapens en bepakking;
  • Omdat men geen tegenstand verwachtte gingen de soldaten wandelend en in gesloten formatie naar voren, verdeeld in vele aanvalsgolven – ook dit had Haig overigens afgeraden;
  • Het bombardement werd nog eens twee dagen gerekt omdat de aanval wegens hevige regenval moest worden uitgesteld. De eindfase was hierdoor minder intensief.

Het resultaat was een slachting. Op de eerste dag verloren de geallieerden 60.000 soldaten aan doden en gewonden, waarvan 30.000 in het eerste uur van de aanval. Op de meeste plaatsen lukte het niet eens om het niemandsland over te steken.

Voor de Britten zijn de exacte verliescijfers van de eerste dag bekend: 19.240 doden, 35.493 gewonden, 2152 vermisten en 585 krijgsgevangenen, in totaal 57.470 man. De Duitsers die, qua manschappen, zeven keer zo zwak waren, hadden ook maar een zevende van die verliezen: 8000 man.

Het Britse leger verloor deze dag meer soldaten dan in welke andere veldslag in zijn geschiedenis ook: de Slag bij Waterloo was tot dan het bloederigst geweest met 8458 man.

Toch waren deze verliezen maar een klein deel van alle doden en gewonden die het Verenigd Koninkrijk tijdens de Eerste Wereldoorlog zou hebben te betreuren: tot 1 juli 1916 waren dat er 522.206; daarna nog eens 2.183.930.

De legerleiding weigerde het falen van de actie in te zien en de strijd ging nog drie maanden door. Tegen het invallen van de winter was slechts een honderdtal vierkante kilometers veroverd ten koste van onnoemelijk vele mensenlevens.

Pas op 18 november 1916 staakte de geallieerde legerleiding de aanval. De tol was hoog: Het Verenigd Koninkrijk verloor 420.000 manschappen, Frankrijk 200.000 en Duitsland 450.000.

Op dit slagveld werden op 15 september 1916 voor het eerst tanks ingezet. Van de 49 Britse Mark I-tanks bereikten slechts 36 de frontlijn en de meeste daarvan staakten de strijd al snel.

https://nl.wikipedia.org/wiki/Slag_aan_de_Somme

Het front aan de Somme liep ongeveer van Gommecourt tot aan Maricourt waar de Engelse sector eindigde; vandaar liepen de Fransen linies pal naar het zuiden naar Chaulnes en Chilly. Hoewel de slag in het Engels Battle of the Somme heet, waren het dus de Fransen die aan de rivier zaten, met de Britten meer aan de Ancre, die door Albert stroomt. De totale lengte van het Somme-front was niet veel meer dan 40 km in rechte lijn. Na viereneenhalve maand was de grootste terreinwinst over de lengte van het front nauwelijks meer dan de tien kilometer tussen Carnoy en Warlencourt. (…)

Strikte bevelen gingen uit om vooral rustig en rechtop te lopen (‘wandelpas’ werd aanbevolen), en niet bijvoorbeeld bukkend in kleine groepjes vooruit te snellen of in granaattrechters te schuilen. (…)

Ondanks de verschrikkingen va het bombardement waren de frontlijntroepen van het Duitse leger tegen de meeste inslagen, zelfs voltreffers van zwaar kaliber, beschermd. Zij waren aangedaan, versuft, kapotgebeukt – maar niet dood. Bovendien, zoals gebruikelijk, lagen de Duitse linies hoog en die van de Britten laag. (…)

Bron : C. en K. Brants, Velden van weleer : reisgids naar de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen, 1993, p. 138-142

In veel opzichten was de Somme als de Kindermord bij Langemark, twee jaar eerder. Daar waren de met machinegeweren neergemaaide mannen vrijwillige studenten. Hier waren het enthousiaste rekruten die zich met hun vrienden hadden ingetekend, gehoorzamend aan de boodschap van Lord Kitchener – met zijn beroemde snor – “Uw land heeft u nodig”

Bron : S. O’Shea, Back to the front, New York, 1998, p. 87

somme kaart

Bron : http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_World_War_I_memorials_and_cemeteries_in_the_Somme